Geschiedenis

DE OPLEIDING TANDHEELKUNDE AAN DE KU LEUVEN 

Een Historisch Overzicht 

In 1900 kende men aan de Faculteit Geneeskunde van de KU Leuven slechts vier diensten : heelkunde, inwendige geneeskunde, gynaecologie-verloskunde en oftalmologie. De academische overheid, onder leiding van Rector Monseigneur Mercier, besloot aan deze vier grote diensten enkele specialismen toe te voegen waaronder de stomatologie. Aan August Van Mosuenck werd de taak aangeboden om deze dienst vorm te geven en te leiden. In 1905 werd Dr. Van Mosuenck kliniekhoofd van de dienst Stomatologie die gevestigd werd in het St.-Pietershospitaal aan de Brusselsestraat. Prof. Van Mosuenck kenmerkte zich door een enorme inzet voor het onderwijs en hij slaagde er tevens in aan wetenschappelijk onderzoek te doen. Hij had oorspronkelijk geen medewerkers, maar zijn enkele studenten waren geboeid door zijn vindingrijkheid in de practica en seminaries. Door zijn studies aangaande lokale anesthesie kreeg hij internationale bekendheid.

Tijdens de eerste wereldoorlog week prof. Van Mosuenck naar Engeland uit om er in Manchester onderzoek te doen aangaande de extractie van ingesloten wijsheidstanden. Hij maakte hiervoor gebruik van röntgenopnamen, hetgeen voor die tijd heel innovatief was. Bij zijn terugkomst in 1918, werd hij benoemd tot gewoon hoogleraar. In 1919 werd dan in het St.-Pietersziekenhuis de kliniek voor tandheelkunde opgericht, onder de auspiciën van de toenmalige Commissie voor Openbare Onderstand (het huidige OCMW). In 1929 besloot de regering via de zogenaamde “wet Nolf“ (naar de toenmalige minister van Volksgezondheid), de graad van licentiaat in de tandheelkunde toe te kennen. In het begin van de dertiger jaren werd prof. Van Mosuenck geassisteerd door Dr. Biourge die later hoogleraar werd in de orthodontie en vanaf 1934 door Léon Van de Vyver die hem opvolgde toen hij in 1939 overleed. 

Dr. Van de Vyver volgde na zijn medische opleiding een verdere opleiding in de tandheelkunde aan de prestigieuze Harvard University. Hij behaalde de titel van Doctor in Medical Dentistry en werd in 1934 aan de KU Leuven benoemd tot docent en in 1937 tot gewoon hoogleraar. Zijn moeilijkste taak bestond erin de opleiding verder te zetten tijdens de moeilijke oorlogsjaren. De KU Leuven trad toen bovendien als gastheer op voor de studenten van de Brusselse universiteit. In 1944 brak een brand uit in het St.-Pietersziekenhuis, waardoor de volledige toenmalige kliniek voor Stomatologie en Tandheelkunde in de vlammen opging. Na de oorlog werd besloten deze dienst over te brengen naar het aanpalende St.-Rafaëlziekenhuis, op de gelijkvloerse verdieping en in de kelder, waar de oppervlakte gedeeld werd met de dienst oftalmologie. Op de gelijkvloerse verdieping waren er 13 consultatie-eenheden en in de kelder vonden de practica plaats. Vanaf 1956 werden de eerste stappen ondernomen voor de plannen voor een nieuw instituut in het St.-Rafaëlziekenhuis. Dit instituut zou drie maal meer plaats beiden voor de opleiding en verzorging van patiënten. In 1967 werd het gebouw plechtig geopend. Tengevolge de taalproblematiek werd in 1968 beslist om de Leuvense universiteit te splitsen en werd na enkele jaren de tandheelkundige opleiding in het Frans overgeheveld naar de campus van Woluwe. Daar zetten de professoren Vermeersch, Biourge, Lejeune, Lechien, Vreven en hun medewerkers de onderwijstaak verder. De contacten tussen beide opleidingen bleven steeds hoffelijk en zelfs vriendschappelijk. Omwille van gezondheidsproblemen moest prof. Van de Vyver in 1972 zijn taak overlaten aan Prof. Jan De Bondt, die toen reeds jarenlang actief was in het academische kader van de conserverende tandheelkunde. 

Prof. De Bondt nam de taak over met een nooit aflatend dynamisme en veel zin voor menselijke contactuele eigenschappen. Datzelfde jaar werd de opleiding tot tandarts ook volledig zelfstandig: voor die tijd werden na het kandidaatsdiploma Geneeskunde nog twee licentiejaren Tandheelkunde gevolgd. Het nieuwe curriculum was opgebouwd uit twee kandidaturen en drie licentiejaren Tandheelkunde. De student moest zijn keuze voor de tandheelkunde bepalen vanaf het begin van de universitaire studies. Prof. De Bondt slaagde erin om de School en ook de klinische dienst opnieuw uit te bouwen en te vernieuwen. De naam werd omgedoopt tot School voor Tandheelkunde, Mondziekten en Kaakchirurgie en gestructureerd in vijf afdelingen (conserverende tandheelkunde, prothetische tandheelkunde, orthodontie, parodontologie, stomatologie en maxillo-faciale heelkunde). Prof. De Bondt bood verschillende veelbelovende jongeren een loopbaan aan in de vernieuwde dienst. Prof. Marcel De Clercq was de eerste die in Nijmegen een doctoraat in de Tandheelkunde behaalde. Andere collegae volgden een gelijkaardige weg en werden nadien benoemd. Prof. De Bondt stimuleerde de ontwikkeling van verschillende research-laboratoria binnen het departement. Het was een drukke tijd, temeer ook omdat vooral in die jaren massale aantallen studenten voor een tandheelkundige opleiding kozen (soms meer dan 140 per jaar!), met de hieruit volgende organisatorische moeilijkheden. De stage in verschillende centra buiten Leuven werd ingevoerd. 

In 1985 werd het voorzitterschap overgenomen door Guido Vanherle. Niettegenstaande het drastische dalen van het aantal studenten slaagde prof. Vanherle erin de nodige investeringen op peil te houden. De inkrimping van het aantal studenten liet toe de onderwijsbegeleiding te verbeteren door een betere staf-student verhouding. De uitbreiding van het academisch kader bleef doorgaan. Ook het onderzoek kende een toenemend succes en een toenemend aantal belangrijke publicaties droeg bij tot het bereiken van de internationale faam van onze laboratoria. In de kliniek ontstond een verregaande autonomie en responsabilisering van de verschillende afdelingen. In het studentenonderwijs werden stappen ondernomen om de algemene kliniek in te voeren voor de laatstejaarsstudenten Het preklinisch laboratorium werd in 1991 totaal vernieuwd. Iedere student kreeg werktafel die mits enige aanpassing de klinische omgeving verregaand kon nabootsen. Reeds onder het beleid van zijn voorganger, en zeker nadien, was prof. Vanherle de dynamische bezieler van onze oud-studentenvereniging, de Leuvense Universitaire Tandheelkundige Vereniging, die met postacademische vorming, een eigen tijdschrift, een jaarlijks Apolloniabanket en verschillende andere sociale activiteiten, één van de meest actieve alumniverenigingen van Leuven kan genoemd worden. Niet minder dan 1300 collegae zijn vandaag lid van de L.U.T.V. 

In 1992 nam Prof. Daniel van Steenberghe het voorzitterschap over, en Prof. Vanherle bleef Diensthoofd Tandheelkunde binnen de Universitaire ziekenhuizen. Met zijn gekende enthousiasme, visie en doorzettingsvermogen, nam Prof. van Steenberghe een aantal grote uitdagingen aan. In het kader van de onderwijshervorming van de gehele KU Leuven werd het curriculum tandheelkunde herzien. Ondertussen hadden reeds twee visitaties van de onderwijsrichting Tandheelkunde plaastgevonden, hetgeen leidde tot een diepgaande bezinning over de onderwijsproblematiek en ingrijpende veranderingen. Steeds meer werd de tandheelkundige opleiding ingepast in een medisch denken met een biologische achtergrond. De nadruk werd gelegd op het contact met de kliniek vanaf het begin van de opleiding, het geïntegreerd klinisch onderwijs en het toenemende belang van de autonome patiëntenbehandeling. Prof. van Steenberghe bleef vanzelfsprekend het wetenschappelijk onderzoek sterk stimuleren binnen de School, hetgeen leidde tot de internationale erkenning van vele medewerkers en belangrijke doorbraken op verschillende deelgebieden van de mondzorg. De onderzoeks-output groeide exponentieel, met meer dan één internationale publicatie per twee weken, en 75 procent van de tandheelkundige publicaties uit Vlaanderen. Het academische korps, specifiek ten behoeve van de tandheelkunde, groeide uit tot 17 professoren. Dankzij prof. van Steenberghe kreeg de Leuvense opleiding ook kansen om het strategisch beleid aangaande mondzorg en tandheelkunde in het land mee te bepalen zoals bijvoorbeeld eenzelfde toelatingsexamen voor arts en tandarts.  

 Nadat hij reeds in 2001 de functie van Diensthoofd overnam van Prof. Vanherle, werd in  2003 Prof.  Frans Vinckier ook verkozen als Departmentsvoorzitter.  Hij nam de zware taak op zich om de broodnodige klinische infrastructuurvernieuwingen voor te bereiden, te bepleiten én tot een goed einde te brengen. Het was inderdaad van 1976 geleden dat de klinische infrastructuur vervangen werd en zowel conceptueel als technisch waren er dringende aanpassingen nodig. Het feit dat de verhuizing van de afdeling Tandheelkunde ten vroegste tegen 2020 zou kunnen plaatsvinden, hielp bij het doorhakken van de knoop. Na enkele jaren verbouwing werden de behandelzalen op zowel de derde als de vierde verdieping omgetoverd tot een frisse, nieuwe, stimulerende, technologisch moderne klinische en onderwijs infrastructuur waarop we trots mogen zijn.  Geen grote zalen meer, maar aparte tandartskabinetten, uitgerust met de laatste technologische snufjes, inclusief digitaal dossier en digitale radiografie. De studenten worden nu opgeleid in een omgeving die overeenkomt met de moderne praktijkvoering. De plechtige opening van de nieuwe klinische infrastructuur vond plaats in 2005. Gelijklopend daarmee werd ook de Orale Beeldvorming volledig vernieuwd, gedigitaliseerd en uitgebreid met verschillende cone-beam CT’s. Als klap op de vuurpijl werd datzelfde jaar een extra preklinisch laboratorium ingericht met 42 units. Niet alleen werden hier de werkplaatsen voorzien van de meest moderne fantomen en roterend instrumentarium, hetgeen de stap naar de kliniek nog verkleint, maar ook werd elke unit voorzien van een beeldscherm voor interactieve virtuele instructies, demonstraties vanuit een centraal punt enz. Werkelijk een pareltje van een preklinische setting. 

Bij zijn emeritaat in 2011 liet Prof. Vinckier zijn taken over aan Prof. Dominique Declerck als Departementsvoorzitter Mondgezondheidswetenschappen en Prof. Toon De Laat als Diensthoofd Tandheelkunde. Verdere vernieuwingen in de structuur van het departement (met een onderzoeks- en een onderwijscluster) werden doorgevoerd. Het onderzoek bleef hoge toppen scheren en Leuven werd internationaal erkend als een topcentrum voor tandheelkundig onderzoek.  In 2012 werd de moderne prekliniek uitgebreid  tot 70 units zodat zelfs met de stijgende studentenaantallen, toch de verschillende opleidingsjaren telkens in groep hun practica kunnen volgen. In 2013 werd op de tweede verdieping een modern Chirurgisch Dagcentrum geopend voor ingrepen onder lokale anesthesie, eventueel onder bewuste sedatie. Alle chirurgische disciplines binnen de Tandheelkunde en de Mond- Kaak- en Aangezichtschirurgie, alsook andere diensten van de benedencampus, voeren nu hun ingrepen uit in dit centrum. In dezelfde beweging werd ook de consultatie Mond-,Kaak- en Aangezichtschirurgie op de tweede verdieping in een nieuw kleedje gestoken.

Nieuwe uitdagingen staan klaar, er zijn voortdurend nieuwe ideeën, wensen en opdrachten. Met het aanwezige potentieel en enthousiasme staat de Leuvense School voor Tandheelkunde, Mondziekten en Kaakchirurgie nog een heleboel boeiende momenten te wachten!